De meester koopt pennen voor 24 leerlingen, elke leerling krijgt één pen. De pennen zijn € 1,75 per stuk.
Samen kosten de pennen ........ euro.
(Vul een geheel getal in, zonder euroteken of komma. Gebruik geen rekenmachine.)
Splits € 1,75 in € 1,00 + € 0,75
24 x € 1,75 =
24 x € 1,00 + 24 x € 0,75 =
€ 24,00 + € 18,00 = € 42,00
Of bedenk:
€ 1,75 = € 2,00 - € 0,25
24 x € 1,75 =
24 x € 2,00 - 24 x € 0,25 =
€ 48,00 - € 6,00 = € 42,00
Of:
24 x € 1,75 =
12 x € 3,50 =
6 x € 7,00 = € 42,00
Of:
4 x € 1,75 = € 7,00
24 = 6 x 4
6 x € 7,00 = € 42,00
Zie ook de pagina
Vermenigvuldigen.