Dennis koopt 4 schoolartikelen die respectievelijk € 3,15, € 2,45, € 4,60 en € 1,20 kosten.
Hij betaalt het totaalbedrag met alleen munten van 10 en 50 eurocent.
Dennis moet minimaal met ........ muntstukken betalen.
(Vul een heel getal in.)




26 



anders
(Een som van Jacques Schopman.)
3,15 + 2,45 + 4,60 + 1,20 = 11,40 euro
11 euro = 22 munten van 50 cent
40 cent = 4 munten van 10 cent
In totaal minimaal 26 muntstukken.
Zie ook de pagina
Euro.