Zet de cijfers 1 t/m 6 in de rondjes, zodanig dat op alle zijden het totaal van de cijfers 11 is.
Eén cijfer is al ingevuld. Er zijn verschillende manieren om de driehoek verder te vullen, maar in het vakje midden boven staat het cijfer ........ .
Als 5 op een van de schuine zijden staat, is het totaal op die zijde al 11 en zou er een 0 in het derde rondje staan. Omdat 0 niet meedoet, moet 5 wel op de plaats van het vraagteken staan.
Je kunt dit soort opgaven op allerlei manieren oplossen. Je kunt er komen door allerlei combinaties te proberen, maar er is ook een rekenkundige aanpak, die in ingewikkelder versies altijd werkt:
De drie zijden zijn samen 33.
De beschikbare cijfers 1 t/m 6 zijn samen 21. Dat is 12 minder.
De cijfers op de hoeken moeten samen 12 zijn, want daar tellen ze twee keer mee.
De hoeken zijn 1+5+6 of 2+4+6
De hoeken kunnen niet 1+5+4 zijn, want dan zou tussen de 1 en de 6 nóg een 1 nodig zijn om aan 11 te komen.
De bovenhoeken zijn 2 en 4. Daartussen moet 5 staan om op een totaal van 11 te komen.
Op de andere zijden staan 2-3-6 en 4-1-6.
Zie ook de pagina
Optellen.