In een prijzenkast hangen bronzen, zilveren en gouden medailles. Een bronzen medaille is 50 euro waard, een zilveren medaille 100 euro en een gouden medaille 500 euro.
Er hangen twee keer zo veel zilveren als bronzen medailles in de kast. In totaal zijn er 22 medailles met een totale waarde van 6000 euro.
Er zijn ........ gouden medailles in de kast.
10 anders
Noem de aantallen b, z en g (brons, zilver, goud). z = 2b en b + z + g = 22 3b + g = 22 g = 22 - 3b
Er zijn 4 bronzen, 8 zilveren en 10 gouden medailles (samen 22) met een totale waarde van 200 + 800 + 5000 = 6000 euro.
Of proberen: Bij welke waarde van b klopt het totaal? b moet een even getal zijn, want de totale waarde is deelbaar door 100. b = 2, dan z = 4 en g = 16 100 + 400 + 8000 euro = 8500 euro. Dat klopt niet.
b = 4, dan z = 8 en g = 10 200 + 800 + 5000 euro = 6000 euro. Dat klopt wel.